10 maart 2026
Heb je een vraag? Bel ons: +31 70 361 70 09
De afgelopen tijd verscheen er veel aandacht voor een opvallende trend in de advocatuur: jonge advocaten hebben steeds minder ambitie om partner te worden. Uit een enquête van het FD onder 521 jonge advocaten blijkt dat slechts 22 procent het partnerschap ambieert. Een aanzienlijk deel twijfelt, terwijl 40 procent het zelfs bij voorbaat uitsluit.
Columnist Laura Bas stelde naar aanleiding van die cijfers dat Generatie Z “breekt met het partnerschap als hoogste goed, godzijdank”. Volgens haar kiezen jonge professionals niet tegen succes, maar tegen een carrièrepad dat te vaak eindigt in structureel overwerk en een scheve werk-privébalans.
Toch blijkt het beeld in de praktijk vaak genuanceerder.
Opvallend is dat jonge advocaten het vak zelf zelden ter discussie stellen. Integendeel: inhoudelijk vinden veel professionals de advocatuur juist bijzonder aantrekkelijk. Complexe dossiers, strategische vraagstukken en het werken met cliënten vormen voor velen een sterke motivatie om in het vak te blijven.
De twijfel ontstaat meestal pas wanneer het gesprek over partnerschap gaat. Niet omdat jonge advocaten de verantwoordelijkheid niet aankunnen of niet willen nemen. In veel gevallen vervullen zij in de praktijk al een rol die dicht tegen het partnerschap aanligt: zij dragen inhoudelijke verantwoordelijkheid voor dossiers, onderhouden cliëntrelaties en sturen teams aan.
Wat weerstand oproept, zijn vooral de randvoorwaarden die traditioneel bij het partnerschap horen: commerciële druk, het ontwikkelen van een eigen praktijk en de verwachting van permanente beschikbaarheid richting cliënten als ook intern. Daardoor ontstaat een opvallend patroon: talentvolle advocaten die het vak graag blijven doen, maar vlak vóór de stap naar het partnerschap een andere functie kiezen binnen of buiten de advocatuur. In veel gevallen is dat jammer, zowel voor de advocaat als het kantoor, omdat waardevolle kennis en ervaring verloren gaat.
De discussie over Generatie Z wordt vaak versimpeld tot een tegenstelling tussen generaties. De nieuwe generatie zou minder ambitieus zijn of minder bereid om hard te werken. Laura Bas betoogt juist dat jonge professionals de bestaande systemen ter discussie stellen die niet meer passen bij hun leven.
De praktijk laat inderdaad zien dat het verschil minder zit in de bereidheid om te presteren, en meer in de manier waarop werk zich verhoudt tot het privéleven. Veel jonge advocaten zijn gemotiveerd en loyaal aan hun kantoor en willen zeker hard werken, maar hechten ook veel waarde aan regie over hun tijd en ruimte naast het werk.
Tegelijkertijd is het belangrijk te erkennen dat het partnermodel in de advocatuur niet willekeurig is ontstaan. Partners zijn niet alleen inhoudelijk specialist, maar ook ondernemer en eindverantwoordelijke richting cliënten en het eigen kantoor. Zij dragen verantwoordelijkheid voor strategie, acquisitie en de continuïteit van het kantoor.
Daar komt bij dat cliënten steeds hogere verwachtingen hebben. Uurtarieven stijgen en daarmee ook de druk om snel en altijd beschikbaar te zijn. De werkdruk die jonge advocaten ervaren is daarom niet alleen een gevolg van interne cultuur, maar ook van externe verwachtingen.
Toch ontstaat een deel van de druk ook binnen kantoren zelf. In exitgesprekken komt bijvoorbeeld regelmatig naar voren dat deadlines onnodig worden aangescherpt.
Een cliënt vraagt of een document vrijdag klaar kan zijn, terwijl een medewerker vervolgens de instructie krijgt het maandag al aan te leveren. Het gevolg: enorme piekdruk voor het team, terwijl het document daarna soms nog dagen blijft liggen. Dit laat zien dat werkdruk niet alleen door cliënten wordt bepaald, maar ook door interne communicatie en cultuur.
De discussie over partnerschap hoeft niet te leiden tot een breuk met het bestaande model, maar vraagt wel om nieuwe manieren van denken. Zo kan een flexibeler partnertraject helpen, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor een tijdelijke pauze in de fase waarin advocaten een gezin stichten.
Een open dialoog met cliënten kan ook helpen. Is het wellicht zinvol een advocaat al eerder in het proces te betrekken? Is de korte gestelde deadline echt noodzakelijk? Zo’n dialoog zou goed mogelijk moeten zijn, omdat bij cliënten ook diezelfde generatie Z in opkomst is.
De grootste uitdaging voor de advocatuur is uiteindelijk niet dat jonge advocaten geen partner willen worden. Het echte risico is dat talentvolle professionals het vak verlaten terwijl zij de inhoud nog altijd inspirerend vinden.
Als de juridische sector erin slaagt dat talent te behouden en ruimte te bieden voor nieuwe vormen van leiderschap, kan dat het partnermodel juist versterken. De vragen die Generatie Z stelt, zijn daarom niet alleen kritisch, maar ook waardevol.
Want uiteindelijk wordt de toekomst van de advocatuur niet alleen bepaald door kennis of tarieven, maar door de mensen die het vak dragen.